Voortzetting van de huurovereenkomst na overlijden van de huurder


Huisgenoten die zelf geen (contractueel) huurder of (wettelijk) medehuurder zijn, hebben in principe geen rechten tegenover de verhuurder. Indien de huurovereenkomst tussen de verhuurder en huurder eindigt, verblijft de bewoner zonder recht of titel in de woning en zal hij de woning moeten verlaten. Indien hij dat niet vrijwillig doet, kan de verhuurder bij de rechter de ontruiming van de woning vorderen.

Een belangrijke uitzondering geldt voor huisgenoten in het geval van het overlijden van de huurder. Als de huisgenoot zijn hoofdverblijf in de woning heeft én een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder had, wordt de huurovereenkomst voor zes maanden voortgezet door de huisgenoot. Binnen deze termijn kan de huisgenoot een vordering instellen bij de rechter om de huurovereenkomst definitief voort te zetten. In dat geval moet aan deze voorwaarden zijn voldaan:

  1. De huisgenoot moet zijn hoofdverblijf hebben in de woning en er moet sprake zijn geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overleden huurder. De wet stelt geen eisen aan de tijdsduur van de gemeenschappelijke huishouding;
  2. De huisgenoot is in staat om de financiële verplichten uit de huurovereenkomst na te komen;
  3. Indien een huisvestingsvergunning voor de woning is vereist, dient de huisgenoot een huisvestingsvergunning voor de woning te overleggen.

De kantonrechter kan de vordering niet afwijzen op andere gronden. Andere belangen of omstandigheden, waaronder de belangen van de verhuurder, spelen dus geen rol.

Wederkerigheid van de gemeenschappelijke huishouding

Uit rechtspraak volgt dat de gemeenschappelijke huishouding tussen de overleden huurder en de huisgenoot wederkerig moet zijn geweest. Daarmee is sprake van een extra eis aan de gemeenschappelijkheid van de huishouding. Deze wederkerigheid vereist dat zowel de huurder als huisgenoot moeten bijdragen aan de gemeenschappelijke huishouding. In het geval van een 56-jarige zoon van een overleden huurder werd geen wederkerigheid aangenomen, omdat de zoon zich jarenlang door zijn moeder had laten verzorgen en zelf niet bijdroeg in de huishouding. Om die reden was geen sprake van een gemeenschappelijk huishouding.