De wet bepaalt dat een afspraak, gemaakt bij het aangaan van een huurovereenkomst voor woonruimte, welke een niet redelijk voordeel biedt aan een van de partijen, nietig is [artikel 7:264 lid 1]. Dit geldt ook als het voordeel wordt overeengekomen met een derde partij [artikel 7:264 lid 1].
Deze regel beschermt huurders tegen misstanden door te voorkomen dat verhuurders onredelijke voordelen bedingen, zoals sleutelgeld of contractkosten.
De regels gelden alleen voor bedingen gemaakt in verband met het aangaan van de huurovereenkomst. Boetebedingen bij niet tijdige betaling van de huurprijs vallen hier niet onder. Daarnaast spelen deze regels een rol bij bemiddelingskosten en courtage, waarbij de huurder geen kosten verschuldigd is aan een tussenpersoon die in opdracht van de verhuurder handelt [artikelen 7:417 lid 4 en 7:427 BW].