Kennis

Bibliotheek

Bibliotheek

Opzegging door de verhuurder

De verhuurder kan de huurovereenkomst alleen opzeggen op basis van wettelijke opzeggingsgronden. Daarbij moet de verhuurder belangrijke opzeggingsformaliteiten in acht nemen. De opzegtermijn voor de verhuurder bedraagt minimaal drie maanden, te vermeerderen met een maand voor ieder jaar dat de huurovereenkomst heeft geduurd met een maximum van zes maanden. De opzegging moet in principe per aangetekende brief of deurwaardersexploot plaatsvinden. De opzegging moet ook worden gericht aan de contractuele en wettelijke medehuurders. De opzegging moet de gronden bevatten.

De huurovereenkomst blijft van kracht, tenzij de huurder schriftelijk met de beëindiging instemt. Indien de huurder dat niet doet, eindigt de huurovereenkomst alleen nadat de rechter de vaststelling van het tijdstip van het einde van de huurovereenkomst op vordering van de verhuurder toewijst. Daarbij wordt de opzegging door de rechter getoetst. De rechter mag alleen rekening houden met de opzeggronden die de verhuurder in de opzegging heeft vermeld.

Als de rechter de vordering afwijst, beslist de rechter of de overeenkomst voor onbepaalde tijd of voor een door hem vast te stellen bepaalde tijd wordt verlengd [artikel 7:273 lid 2]. In het laatste geval kan de verhuurder niet eerder opzeggen dan tegen het einde van die periode.

Als de vordering wordt toegewezen, stelt de rechter het tijdstip van de ontruiming vast. De verhuurder verkrijgt daarmee een executoriale titel [artikel 7:273 lid 3 BW]. De rechter kan de uitspraak echter niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren [artikel 7:272 lid 1 BW]. De verhuurder kan de ontruiming dus pas ten uitvoer leggen nadat onherroepelijk is beslist.