Een huurbeëindigingsovereenkomst kan alleen na het aangaan van de huur rechtsgeldig tot stand kan komen [artikel 7:271 lid 8 BW].
Beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is vormvrij en kan dus in principe ook mondeling geschieden.
Met de strekking van de huurbeschermingsregeling is onverenigbaar dat een huurder reeds bij het aangaan van de huur of tijdens de looptijd ervan, voordat de verhuurder de huurovereenkomst heeft opgezegd, rechtsgeldig kan toestemmen in beëindiging van de huurovereenkomst [ECLI:NL:HR:1996:ZC2043 (IJsselmuiden/Brouwers)]. Daaruit valt af te leiden dat de regel ertoe strekt dat een huurder pas afstand van zijn huurrechten kan doen nadat hij die daadwerkelijk heeft kunnen uitoefenen. Uit strekking (maar niet de letterlijke woorden van de wettekst) kan worden aangenomen dat in de proefperiode bij hospitaverhuur of tijdens de looptijd van een tijdelijk huurcontract geen rechtsgeldige beëindigingsovereenkomst kan worden gesloten, ondanks het feit dat de huurovereenkomst reeds is aangegaan, aangezien de huurder dan (nog) geen huurbescherming heeft verkregen.
Kennis
Bibliotheek
Bibliotheek