Als ingangsdatum van een nadere huurprijsvaststelling door de rechter geldt de datum waarop de vordering is ingesteld. De vordering is alleen ontvankelijk indien de vordering gepaard gaat met een deskundigenrapport over de huurprijs. Indien partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over te benoemen deskundigen, kan aan de rechter een verzoek tot benoeming van deskundigen worden gedaan (middels een verzoekschrift). De dag van indiening van het verzoekschrift geldt dan als de dag waarop de nadere vaststelling van de huurprijs is gevorderd, zodat in principe die datum geldt als ingangsdatum voor de huurprijs. Om te voorkomen dat partijen dit proces vertragen, kunnen partijen de ingangsdatum overeenkomen. De rechter kan op vordering van een partij ook een andere ingangsdatum bepalen. Ook kan de rechter (alleen bij een huurverhoging) bepalen dat de huurprijs geleidelijk wordt aangepast (ingroei), waarbij de rechter rekening kan houden met de omstandigheden van het geval en de maatschappelijke posities van partijen. Zekerheidshalve dient de huurder daartoe een reconventionele vordering in te stellen.
Wettelijke rente
Aangezien door de uitspraak van de rechter pas duidelijk wordt dat een hogere huurprijs moet worden betaald, dient dit niet te worden toegerekend aan de huurder, zodat niet met terugwerkende kracht wettelijke rente over de hogere huurprijs verschuldigd is [ECLI:NL:GHAMS:2022:142]
Bij een huurprijsverlaging geldt dat onverschuldigd is betaald [artikel 6:203 BW], zodat de wettelijke rente in beginsel pas vanaf het verzuim, dus na ingebrekestelling, is verschuldigd. Bij onverschuldigde betaling is niet de wettelijke handelsrente maar de gewone wettelijke rente verschuldigd, omdat het niet gaat om een handelsvordering als bedoeld in artikel 6:119a BW.