Kennis

Bibliotheek

Bibliotheek

Onderhuur van bedrijfsruimte

Zowel bij bevoegde als onbevoegde onderverhuur is mogelijk dat discrepanties ontstaan in de huurtermijnen tussen de hoofdhuurovereenkomst en de onderhuurovereenkomst. Indien de rechter de beëindigingsvordering van de hoofdverhuurder toewijst en de ontruimingsdatum vaststelt, geldt dit ook voor onderhuur [artikel 7:306 lid 1 BW]. De onderhuur is dan verplicht te ontruimen. Niet relevant is de overeengekomen duur van de onderhuur of de vraag of bevoegd of onbevoegd is onderverhuurd. De hoofdverhuurder is verplicht tot schadevergoeding aan de onderhuurder indien hij de onderhuurder niet juist heeft voorgelicht over de huurtermijnen of indien hij onvoldoende voor de belangen van de onderhuurder heeft gewaakt  [artikel 7:306 lid 2 BW]. De verhuurder kan de onderhuurder in de procedure betrekken [artikel 7:306 lid 3 BW]. De onderverhuurder is niet dus schadeplichting indien hij voldoet aan zijn waakplicht jegens de onderhuurder en hij de onderhuurder correct heeft geïnformeerd over de termijnen van de hoofdhuur. Deze regeling geldt niet indien de hoofdhuurovereenkomst eindigt door ontbinding of met wederzijds goedvinden.

Voor onderhuur van bedrijfsruimte geldt dus niet de regel dat de onderhuur wordt voorgezet door de hoofdverhuurder indien de hoofdhuurovereenkomst eindigt, zoals (in beginsel) het geval is bij de huur van zelfstandige woonruimte [artikel 7:269 BW]. De wetgever heeft echter op verschillende plaatsen in de wettelijke regeling rekening gehouden met de belangen van de onderhuurder, zoals bij de opzeggingsgrond van de belangenafweging [artikel 7:296 lid 3 BW] en de vergoedingen van artikel 7:308-310 BW, maar slechts voor zover sprake is van bevoegde onderverhuur.