Kennis

Bibliotheek

Bibliotheek

Huurrecht en Didam

Uit het Didam-arrest volgt dat een overheidslichaam op basis van art. 3:14 BW bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden, zoals bij de verkoop van onroerend goed, rekening moet houden met geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het gelijkheidsbeginsel [ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam)].

Het gelijkheidsbeginsel vereist dat een overheidslichaam bij de verkoop van een onroerende zaak ruimte biedt aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen, door objectieve, toetsbare en redelijke criteria op te stellen voor de selectie van de koper. Om deze gelijke kansen te waarborgen, moet het overheidslichaam voldoende openbaarheid verzekeren over de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toegepaste selectiecriteria.

Een selectieprocedure hoeft echter niet te worden gehouden als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt, maar het overheidslichaam moet dit besluit tijdig en gemotiveerd bekendmaken.

Van schaarste is sprake wanneer (redelijkerwijs te verwachten valt dat) er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van een specifieke onroerende zaak. Daarbij gaat het dus niet om de beschikbaarheid van vergelijkbare onroerende zaken, maar om de vraag of er voldoende interesse is vanuit meerdere potentiële kopers voor de onroerende zaak. Deze rechtsregels uit het Didam-arrest zien op privaatrechtelijke rechtshandelingen, dus ook op het sluiten van huurovereenkomsten door overheidslichamen.