De verhuurder is verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is [artikel 7:203 BW]. De verplichting tot terbeschikkingstelling van de zaak volgt ook uit artikel 7:201 BW. De verplichting van artikel 7:203 BW ziet vooral op de fysieke terbeschikkingstelling en is dus enger dan de verplichting tot het verschaffen van het huurgenot dat de huurder mag verwachten krachtens artikel 7:204 BW. De verplichting tot terbeschikkingstelling is beperkt het overeengekomen gebruik, bijvoorbeeld een bepaald dagdeel.
Het betreft een voortdurende verplichting, die niet voor het verleden alsnog kan worden nagekomen. De verhuurder is daarom niet bevoegd tot opschorting (bijvoorbeeld wegens een betalingsachterstand). Voor ontbinding van de verplichting tot terbeschikkingstelling is rechterlijke tussenkomst nodig (artikel 7:231 BW).
Onbevoegdheid tot verhuur staat in principe niet in de weg aan terbeschikkingstelling van de zaak. De verhuurder kan zijn verplichting tot terbeschikkingstelling nakomen totdat de gerechtigde het gebruik door de huurder heeft beëindigd.
Kennis
Bibliotheek
Bibliotheek